28 mei 2026

Gemeenten hebben tot 1 januari 2032 de tijd om hun tijdelijke omgevingsplan om te zetten naar een definitief omgevingsplan. In veel gemeenten wordt daar inmiddels hard aan gewerkt, vaak gebiedsgericht. Een belangrijk onderdeel daarvan is het formuleren van juridisch houdbare planregels.

In de praktijk zien we veel werkgroepen en projecten waarin juristen, vergunningverleners, toezichthouders en specialistische adviseurs zich buigen over de vraag hoe te komen tot ‘goede’ planregels. Goede regels worden daarbij vaak opgevat als regels die juridisch kloppen, uitvoerbaar zijn en het betreffende milieubelang zo goed mogelijk beschermen.

Maar het opstellen van planregels is niet alleen een technisch-juridische opgave. Achter planregels gaan ook politiek-bestuurlijke keuzes schuil. In deze blog werken we er drie uit.

1. Hoeveel overheidssturing is eigenlijk gewenst?

Planregels zijn een sturingsinstrument. Maar voorafgaand aan de vraag hóe we het regelen, ligt eerst de vraag óf en hoeveel we eigenlijk willen regelen.

De neiging om maatschappelijke vraagstukken zoals klimaatadaptatie, de woningbouwopgave en energietransitie, juridisch vast te leggen zien we veelvuldig terug binnen de overheid. Niet alleen binnen de fysieke leefomgeving, maar ook binnen het sociaal domein. Waar publieke waarden onder druk staan, volgt vaak de risico-regelreflex om deze steviger te verankeren in normen, procedures en verplichtingen. De perceptie heerst dat regels rechtszekerheid, gelijkheid en bestuurlijke legitimiteit bieden.

Daardoor wordt de nadruk op juridische systemen omvangrijker en complexer, ook wel juridisering. Procedures worden zwaarder, maatwerk lastiger en de uitvoeringspraktijk belast met uitzonderingen en afwegingsruimte. Dat begint te schuren, zeker in een tijd waarin de druk op woningbouw, energietransitie en economische ontwikkeling groot is.

Dat dit geen lokaal vraagstuk is, blijkt ook uit recente rapporten van onder meer de adviesgroep STOER en de commissie Wennink (2025), waarin regeldruk en juridisering van beleid nadrukkelijk ter discussie worden gesteld.

De onderliggende bestuurlijke vraag is dan ook: durven bestuurders het accent te verschuiven van beschermen naar ruimte geven? Juist onder de Omgevingswet, die expliciet balanceert tussen beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving, krijgen dergelijke keuzes meer bestuurlijke aandacht en gewicht.

2. Hoeveel bestuurlijke afwegingsruimte willen we behouden?

Ook de keuze voor een bepaald type planregel is niet waardenvrij.

Algemene regels en gesloten normen bieden duidelijkheid en rechtszekerheid. In gelijke gevallen gelden dezelfde voorwaarden. Maar hoe specifieker de norm, hoe minder ruimte er overblijft voor maatwerk of bestuurlijke afweging.

Open normen, doelvoorschriften en vergunningplichten bieden juist meer flexibiliteit. Tegelijkertijd verschuift daarmee ook het moment van afwegen: niet vooraf bij het vaststellen van het omgevingsplan, maar achteraf bij het beoordelen van concrete initiatieven. De keuze voor een bepaald type planregel bepaalt daarmee ook waar het politieke debat plaatsvindt.

Daarmee raakt de keuze voor een bepaald type planregel direct aan bestuurlijke voorkeuren. Ligt het accent op voorspelbaarheid en uniformiteit? Of juist op flexibiliteit, maatwerk en het benutten van de bestuurlijke afwegingsruimte?

3. Wat vragen de regels van overheid én samenleving?

Meer regels betekenen niet automatisch betere sturing. Uiteindelijk moeten regels ook uitvoerbaar, handhaafbaar en maatschappelijk proportioneel zijn.

Vanuit specialistische disciplines bestaat de neiging om aanvullende regels op te nemen om bijvoorbeeld milieubelangen beter te beschermen. Bestuurskundig gezien roept dat echter bredere vragen op. Wat betekenen extra regels voor de uitvoeringscapaciteit van gemeenten, omgevingsdiensten en veiligheidsregio’s? Leiden zij tot extra toezicht, vergunningprocedures en handhavingslast? En zijn lokale aanvullingen nog uitlegbaar naast de al omvangrijke landelijke regelgeving?

De onderliggende bestuurlijke vraag is daarmee: is de gekozen set planregels bestuurlijk geloofwaardig en maatschappelijk proportioneel?

De kunst van bestuurlijke terughoudendheid

Planregels zijn dus meer dan een juridische vertaalslag van beleid. Ze bepalen niet alleen wat wel en niet mag, maar ook hoeveel ruimte het bestuur wil geven, waar bestuurlijke afweging plaatsvindt en welke verantwoordelijkheid bij overheid, initiatiefnemer en samenleving wordt gelegd.

Wie planregels opstelt, maakt daarom niet alleen juridische keuzes, maar keuzes over bestuursstijl en regeldruk. De opgave is dan ook om niet te vervallen in het juridisch dichttimmeren van planregels, maar om voorwaarden te scheppen om het gesprek aan te gaan met initiatiefnemer en samenleving. Juist daarin ligt volgens ons de kern van goed bestuur onder Omgevingswet: niet méér regels maken omdat dat veilig voelt, maar bewust ruimte laten waar maatschappelijke opgaven vragen om flexibiliteit, vertrouwen en bestuurlijke moed.

 

Deze blog is geschreven door Michel in ’t Veld en Tom Reijers, beleidsadviseurs bij Oostkracht10. Wil je in contact komen? Mail dan op michiel@oostkracht10.nl of bel naar 085 –  070 47 32.

"Sparren over planregels?"

Michiel in ´t Veld

Michiel in ´t Veld

Terug naar nieuws overzicht