Nederland staat voor een ongekende ruimtelijke opgave. De bouw van honderdduizenden woningen, de energietransitie, de verduurzaming van industriële clusters en de steeds verdergaande stedelijke verdichting. Juist de ruimte die hiervoor benodigd is bevindt zich vaak langs spoorlijnen, vaarwegen en transportwegen waar ook vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt.
Daarbij zien we dat het huidige externe veiligheidsbeleid soms botst met deze maatschappelijke opgaven. De vraag dringt zich steeds vaker op of de bestaande systematiek van risicoplafonds en de norm voor het plaatsgebonden risico (PR) nog wel het juiste instrumentarium biedt voor de uitdagingen van vandaag. De discussie rondom de toekomst van het Basisnet laat zien dat een heroverweging zinvol is.
Een systeem dat tegen zijn grenzen aanloopt
Het Basisnet werd ontwikkeld om een langdurig evenwicht te creëren tussen vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimtelijke ontwikkeling en veiligheid. Daarbij werden prognoses voor vervoer en verstedelijking vertaald naar risicoplafonds met veiligheidscontouren. Inmiddels blijkt dat deze plafonds, met name op het spoor, structureel worden overschreden. Niet doordat het vervoer onveiliger is geworden, integendeel, maar omdat maatschappelijke ontwikkelingen anders zijn verlopen dan destijds voorzien. De energietransitie, veranderende goederenstromen en woningbouw hebben het systeem onder druk gezet.
Tegelijkertijd wordt steeds duidelijker dat sturen via vooraf vastgestelde risicoruimte niet vanzelfsprekend leidt tot betere veiligheidsuitkomsten. De huidige systematiek vraagt veel bestuurlijke aandacht, terwijl de mogelijkheden om daadwerkelijk invloed uit te oefenen op internationale goederenstromen beperkt zijn. Hierdoor ontstaat een situatie waarin ruimtelijke ontwikkelingen botsen met normen die steeds minder aansluiten bij de praktijk.
De veiligheid van transport is al van een hoog niveau
Een belangrijke constatering is dat de veiligheid van het vervoer van gevaarlijke stoffen op een hoog niveau ligt. Europese regelgeving zoals ADR, ADN en RID stelt uitgebreide eisen aan voertuigen, verpakkingen, procedures, opleidingen en veiligheidsmanagement. Deze regels zijn in Nederland verankerd via de Wet vervoer gevaarlijke stoffen.
Gedurende de afgelopen decennia is het veiligheidsniveau verder versterkt door technologische innovaties, strengere eisen aan materieel en een duidelijke juridische verantwoordelijkheid van vervoerders en verladers voor de risico’s die zij veroorzaken. Het zwaartepunt van het veiligheidsbeleid ligt daarmee al grotendeels aan de bron van het risico.
De vraag die bestuurders zich mogen stellen is daarom niet of veiligheid belangrijk is, maar of aanvullende nationale risiconormen nog voldoende maatschappelijke meerwaarde bieden naast het uitgebreide stelsel van bestaande veiligheidsmaatregelen.
Van kansberekening naar effectgerichte veiligheid
Onder de Omgevingswet is al een belangrijke verschuiving zichtbaar. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt steeds meer gekeken naar brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebieden. Deze benadering richt zich op de effecten van een mogelijk incident en op de wijze waarop mensen daartegen beschermd kunnen worden.
Tegen die achtergrond is het legitiem om de vraag te stellen of de norm voor het plaatsgebonden risico nog een noodzakelijke aanvullende functie vervult. Wanneer bronmaatregelen, Europese regelgeving en effectgerichte bescherming in aandachtsgebieden gezamenlijk al een hoog veiligheidsniveau geven, ontstaat ruimte om het bestaande instrumentarium kritisch tegen het licht te houden.
Meer ruimte voor lokale bestuurlijke afwegingen
Dagelijks moeten bestuurders keuzes maken tussen woningbouw, bereikbaarheid, industriële ontwikkelingen, klimaatadaptatie en energieopgaven. Al deze belangen concurreren om dezelfde schaarse ruimte. Daarmee is de vraag of landelijke risiconormen in alle gevallen nog de juiste balans bieden tussen veiligheid en de bestuurlijke noodzaak tot ruimtelijke ontwikkeling. Juist decentrale overheden zijn goed in staat om lokale omstandigheden, gebiedsambities en restrisico’s integraal af te wegen. Dat is immers de kern van de Omgevingswet: het maken van een bewuste bestuurlijke afweging in het licht van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Veiligheid in beweging
Nederland staat de komende decennia voor een samenloop van grote ruimtelijke en maatschappelijke opgaven. Dat vraagt om risicobeleid dat niet alleen zekerheid biedt, maar vooral bestuurlijke handelingsruimte creëert.
Een herijking van het huidige stelsel voor het transport van gevaarlijke stoffen kan bijdragen aan een betere balans tussen veiligheid en de noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Daarbij blijft het uitgangspunt onverminderd dat het veiligheidsniveau hoog moet zijn, terwijl tegelijkertijd ruimte ontstaat voor integrale bestuurlijke afwegingen die passen bij de Omgevingswet. Daarmee verschuift de discussie van het beheersen van theoretische risico’s naar het realiseren van een veilige- en veerkrachtige leefomgeving.
Deze blog is geschreven door Michiel in ’t Veld beleidsadviseur bij Oostkracht10. Wil je in contact komen met Michiel? Mail hem dan op michiel@oostkracht10.nl of bel naar 085 – 070 47 32.
"Heb je een vraag?"
