De aanleiding

CTT is gespecialiseerd in het transport en de op- en overslag van containers en goederen tussen de modaliteiten weg, water en spoor. De containers kunnen zowel gevaarlijke stoffen (ADR) als niet-gevaarlijke stoffen bevatten. De op- en overslagterminal in Rotterdam is ruim 5 hectare groot en heeft een kade waar zeeschepen en barges ontvangen kunnen worden, maar ook het laden en lossen van treinen met een portaalkraan is mogelijk.

CTT wil verkennen of en op welke wijze op de huidige inrichting de op- en overslag van containers en goederen kan worden verhoogd. Een belangrijke (mogelijke) beperking op de verhoging is het thema ‘externe veiligheid’.

De vraag

Voor de (mogelelijk)uitbreiding van de activiteiten op de terminal moet worden verkend welke invloed deze uitbreiding voor de externe veiligheidsrisico’s heeft.

Onze oplossing

Het doel van het onderzoek was het bepalen van de invloed van de wijzigingen op de externe veiligheidsrisico’s. Hiertoe is het plaatsgebonden risico en het groepsrisico voor ‘huidige’ en diverse toekomstige situaties berekend (QRA) en getoetst aan de normen voor externe veiligheid uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de ‘veiligheidscontour’ externe veiligheid.

Voor de risicoberekening van de stackopslag en overslag van containers is de Rekenmethode voor stuwadoorsbedrijven (RIVM, 2015) (hierna RvS) gebruikt. Van de relevante installaties en activiteiten zijn scenario’s vastgesteld, waaraan faalkansen zijn gekoppeld. Hierna zijn met behulp van het rekenmodel Safeti-NL (versie 6.54) het plaatsgebonden risico (PR), het groepsrisico (GR) en de maximale effectafstanden berekend.

Onze rol

In diverse sessies met de klant hebben we diverse inrichtingsvarianten besproken en deze varianten doorgerekend met het rekenmodel. In nauwe samenwerking met CTT hebben we de – voor externe veiligheid – meest relevante inrichtingsvariant bepaald.

Persoonlijk advies?

George

Neem dan contact op met

George Rutten

Of mail George