26 augustus 2026

We bouwen waterstofinstallaties (electrolysers, aggregaten, opslag) terwijl de wetgeving nog grotendeels ontbreekt. Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is geschreven voor een wereld die conventionele brandstoffen zoals aardgas gebruikt, en nog niet voor de lokale productie van groene waterstof. De onzekerheid is niet alleen een administratief gedoe; er kunnen reële risico’s aan kleven. De wetgeving loopt achter, en dat kan juridisch gezien grijze gebieden creëren.

Electrolysers: de 50-ton drempel (per juli 2026)

De productie van waterstof met behulp van een electrolyser wordt nog niet expliciet aangewezen als milieubelastende activiteit (mba) in het Bal. Daarom valt het nu nog onder de mba “Basischemie”, waar ook, bijvoorbeeld, veel chemische industrie onder valt. Belangrijk hiervoor is dat deze mba alleen geldt voor productie in IPPC (Integrale Preventie en Bestrijding van Verontreiniging)-installaties. Een installatie is een IPPC-installatie als de productiecapaciteit van de installatie boven een bepaalde grens komt, zoals beschreven in de Richtlijn Industriële Emissies (RIE). Een installatie binnen de basischemie is een IPPC-installatie als er sprake is van “fabricage op industriële schaal”. Er is nu dus nog geen kwantitatieve ondergrens. Is een electrolyser dan nog geen milieubelastende activiteit, en gelden er geen algemene regels? Dit zou niet het geval mogen zijn, aangezien de activiteit niet zonder risico’s is.

Deze verwarring zal hopelijk niet lang meer blijven: de RIE 2010/75/EU wordt vervangen door de RIE 2024/1785. In deze nieuwe RIE valt de productie van waterstof onder een eigen categorie. Deze categorie omvat de ‘elektrolyse voor de productie van waterstof met een productiecapaciteit van meer dan 50 ton per dag’. De lidstaten van de Europese Unie hebben twee jaar de tijd om de richtlijn om te zetten in nationale wetgeving. Het is dus de bedoeling dat de nieuwe RIE in juli 2026 geïntegreerd zal zijn in de Omgevingswet. Tot dat moment is de oude RIE nog van kracht.

 

Waterstofelectrolyser

 

Als de nieuwe RIE wordt ingevoerd, dan is het duidelijk dat een electrolyser met een productiecapaciteit van meer dan 50 ton waterstof per dag een IPPC-installatie is. Dan gelden dezelfde regels als voor andere grote chemische industrie. Maar hoe zit dat nou voor de kleine electrolysers? Er zijn veel mooie initiatieven waarbij waterstof op kleine schaal wordt geproduceerd in zogenoemde ‘Energy Hubs’. De waterstof wordt dan bijvoorbeeld gebruikt om een overschot aan groene energie op te slaan en lokaal weer te gebruiken als er geen groene energie beschikbaar is. Dit soort decentrale energievoorziening is erg waardevol omdat het men onafhankelijker maakt van het (overvolle) stroomnet. Maar er kleven ook veiligheidsrisico’s aan kleine electrolysers! Daarom is het belangrijk om voor ieder formaat electrolyser een risicoanalyse uit te (laten) voeren. Daarnaast zijn er vaak ook andere mba’s nodig voor het goed functioneren van een electrolyser, zoals de opslag van gevaarlijke stoffen (waterstof) in verpakking of in een opslagtank. Denk bijvoorbeeld aan de opslagvoorziening voor de geproduceerde waterstof en/of zuurstof.

Aggregaten met brandstofcellen: stookinstallatie of niet?

Door de netcongestie zijn veel partijen op zoek naar alternatieve stroomvoorzieningen. Ook in het geval dat de stroom uitvalt is het belangrijk om een back-up te hebben zodat je niet zonder elektriciteit zit. Er zijn verschillende technieken mogelijk om energie op te slaan die kan worden gebruikt in dit soort situaties, maar meestal worden hier Energieopslagsystemen (met batterijen) of fossiele brandstofaggregaten voor gebruikt. Er zijn echter ook steeds meer ontwikkelingen op het gebied van aggregaten die waterstof gebruiken als brandstof. Deze aggregaten werken op basis van een brandstofcel waarin de waterstof op een gecontroleerde manier reageert met zuurstof, waarbij elektriciteit, warmte, en water(damp) vrijkomt. Er wordt dus geen CO2 of fijnstof geproduceerd, wat deze techniek erg aantrekkelijk maakt.

 

Waterdamp

 

Alleen is er de belangrijke vraag: is een waterstofaggregaat een milieubelastende activiteit volgens het Bal (Besluit activiteiten leefomgeving)? Dit is één van de factoren die bepaalt of je een vergunning moet aanvragen als je een waterstofaggregaat wilt gebruiken. Zo’n aggregaat vervuilt de omgeving niet met CO2 en fijnstof, maar is niet zonder gevaren. Net als bij een dieselaggregaat is er onder andere een brandrisico. Voor diesel zijn de gevaren bekend, en worden die geaccepteerd. Waterstof is een licht ontvlambaar en mogelijk explosief gas. Daarom zouden er regels en voorschriften moeten zijn voor het gebruik ervan, zoals die in het Bal worden aangegeven voor andere milieubelastende activiteiten.

Een dieselaggregaat valt onder de mba “Stookinstallatie” in het Bal. Een waterstofaggregaat lijkt in eerste instantie ook op een stookinstallatie. Volgens het Bal is een stookinstallatie een “technische eenheid waarin brandstoffen worden geoxideerd om de warmte die zo wordt opgewekt te gebruiken”. In een dieselaggregaat wordt dan ook diesel geoxideerd (verbrand), waarbij energie vrijkomt. Een deel van die energie wordt gebruikt om delen van het aggregaat te laten bewegen, waardoor stroom kan worden opgewerkt. Een groter deel van de energie komt vrij in de vorm van warmte. Die warmte wordt in veel situaties niet nuttig gebruikt, maar wordt afgegeven aan bijvoorbeeld de lucht rond het aggregaat.

Volgens de definitie van het Bal zou een waterstofaggregaat ook een stookinstallatie kunnen zijn. Het is een technische eenheid, en in de chemische reactie tussen waterstof en zuurstof wordt waterstof geoxideerd. Uit dit proces ontstaat elektriciteit, maar ook veel warmte. Die warmte wordt vaak ook nuttig gebruikt, bijvoorbeeld om water op te warmen waarmee bijvoorbeeld een ruimte kan worden verwarmd. Dit zou, als de definitie van een stookinstallatie letterlijk wordt opgevat, betekenen dat een waterstofaggregaat een stookinstallatie is als de warmte nuttig wordt gebruikt. Als de warmte, die sowieso ontstaat, níét nuttig wordt gebruikt, maar bijvoorbeeld vrijkomt in de omgeving, dan is het geen stookinstallatie meer. Dit is geen logisch onderscheid, aangezien er aan het functioneren van het aggregaat niets verandert. Bovendien wordt bij het draaien van een dieselaggregaat ook vaak de warmte niet gebruikt. Toch staat een brandstofmotor als onderdeel van een aggregaat expliciet vernoemd in de voorbeelden van stookinstallaties van het IPLO.

Meestal wordt er door mensen in dit veld vanuit gegaan dat een waterstofaggregaat geen stookinstallatie is. Dit wordt gebaseerd op het feit dat de oxidatie van waterstof plaatsvindt in een brandstofcel. Er is dus geen sprake van een typische verbranding, zoals bij diesel, maar van een elektrochemisch proces. Het type reactie, de oxidatie van de brandstof, blijft wél hetzelfde. Als deze redenering klopt, dan geeft dat uitsluitsel over of een waterstofaggregaat een stookinstallatie is. Maar dan weten we nog steeds niet welk wettelijk kader relevant is, en dus wat de voorschriften en regels zijn voor het gebruik van dit soort installaties.

Werkvoorraad vs. Opslag

Om voldoende brandstof te hebben voor een waterstofaggregaat, heb je een voorraadje nodig. Waterstof kan worden opgeslagen in verschillende soorten drukhouders, zoals opslagtanks of tubetrailers. Voor veel toepassingen zie je dat waterstof meestal wordt opgeslagen in pakketten met gascilinders, ook wel cilinderpakketten genoemd. Cilinderpakketten zijn een type verpakking, dus als je een cilinderpakket met daarin waterstof ergens opslaat, dan is dat wettelijk gezien een ‘Opslag van gevaarlijke stoffen in verpakking’. Voor deze activiteit gelden, als er meer dan 1000 liter waterstof wordt opgeslagen, vaste veiligheidsafstanden, die niet buiten een terreingrens mogen vallen. Binnen deze afstanden mogen er ook geen (beperkt) kwetsbare gebouwen of objecten zijn.

opslag of werkvoorraadIn het geval van cilinderpakketten met waterstof is die afstand vijftien meter. Dat is een behoorlijk grote afstand, wat de mogelijke plaatsing van een waterstofaggregaat sterk zou kunnen beperken. Vijftien meter in alle richtingen vanaf de buitengrens van het aggregaat past alleen op locaties met een grote open ruimte, en niet in dicht bebouwde, stedelijke gebieden. Terwijl we in stedelijke gebieden ook veel energie nodig hebben, en het liefste ook zonder schadelijke uitstoot. Er is één uitzondering voor deze veiligheidsafstanden: als de cilinderpakketten worden gezien als een werkvoorraad. Maar wat betekent een werkvoorraad precies in deze context? Voor een dieselgenerator geldt de volledige inhoud van de tank, die onderdeel is van de generator, als een werkvoorraad. Geldt dan ook iedere hoeveelheid waterstof als een werkvoorraad, zolang de drukhouders verbonden zijn met het aggregaat? Vaak zijn er meerdere cilinderpakketten nodig, omdat er anders niet genoeg energie geleverd kan worden. Is in dit geval ieder pakket dat nog niet aangesloten is, een opslag, maar zodra er een buis aan een pakket verbonden wordt, is het een werkvoorraad? Of is het allemaal een opslag, maar kan de wettelijke veiligheidsafstand verkleind worden? Misschien, als er meer over ongevallen met waterstof bekend wordt, blijkt een kleinere afstand nog steeds veilig genoeg te zijn. Zo is het bijvoorbeeld wel bekend een waterstofbrand minder warmte uitstraalt dan andere brandstoffen. Daarom zou je juist verwachten dat er voor een dieselgenerator grotere veiligheidsafstanden nodig zijn!

 

Voor nu het enige houvast: de zorgplicht

Het gebruiken van een waterstofaggregaat of electrolyser is geen milieubelastende activiteit volgens het Bal. Daarom gelden er geen specifieke regels volgens het Bal. Het feit dat er voor waterstoftechnieken nog maar beperkte wet- en regelgeving is, betekent niet dat er geen gevaren zijn. Daarom kunnen maatwerkvoorschriften opgelegd worden op basis van de zorgplicht uit de Omgevingswet. De zorgplicht betekent in essentie dat niemand bewust schade mag toebrengen aan de leefomgeving en dat wij allen verantwoordelijk zijn voor een veilige en gezonde leefomgeving. Totdat de wet de techniek inhaalt, kunnen bevoegde gezagen alleen maar iedere situatie apart beschouwen. Dit kan ertoe leiden dat dezelfde installatie, verschillende voorschriften krijgt, omdat een ander bevoegd gezag de voorschriften bepaalt.

Met de razendsnelle doorbraken in waterstoftoepassingen is het nu belangrijker dan ooit dat we net zo scherp zijn op de veiligheidsnormen als op de technologie zelf. Door nu te kiezen voor voorzorg en kwaliteit, voorkomen we dat veiligheidsrisico’s de weg blokkeren voor een energietransitie die zo hard nodig is.

 

Deze blog is geschreven door Roza Weber, adviseur bij Oostkracht10. Wil je in contact komen met Roza? Mail haar dan op roza@oostkracht10.nl of bel naar 085 –  070 47 32.

"Heb je een vraag?"

Roza Weber
Terug naar nieuws overzicht