02 juli 2021

Oostkracht10 heeft al verschillende participatieprocessen met veel plezier georganiseerd. Vorig jaar onderzocht ik of vergunningaanvragers van een binnenplanse omgevingsactiviteit (OPA) gemotiveerd zijn om participatie te organiseren. In dit tweede en laatste deel van het tweeluik beschrijf ik mijn bevindingen.

Wanneer iemand een vergunning aanvraagt voor een OPA, wordt hij of zij gestimuleerd om participatie te organiseren. De aanvrager moet het voor de omgeving mogelijk maken om haar zienswijze in te brengen. Bijvoorbeeld voor burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheidsinstanties. Het bevoegd gezag kan participatie alleen verplichten wanneer een activiteit niet voldoet aan het omgevingsplan van de gemeente (buitenplanse OPA). Als een vergunningaanvrager van een binnenplanse OPA geen participatie organiseert, staan daar geen sancties tegenover. Hoe gemotiveerd voelt deze groep zich om participatie te organiseren?

Wel of geen participatie

Voor mijn onderzoek heb ik een vragenlijst uitgezet onder honderd (voormalige) vergunningaanvragers. Hieruit blijkt dat een vierde (25) van de vergunningaanvragers geen participatie wil organiseren. Redenen die ze hier voor geven zijn:

  • De omgeving heeft niets te maken met het plan van de vergunningaanvrager;
  • De omgeving zal alleen maar voor weerstand zorgen als ze mee mogen denken;
  • Het is niet verplicht om participatie te organiseren als het plan past binnen het omgevingsplan.

Participatieladder

Drie vierde van de vergunningaanvragers (75) wil participatie organiseren bij de volgende vergunningaanvraag. Kijkend naar het fenomeen de participatieladder, zou het overgrote deel (50) op dat moment om de mening van belanghebbenden vragen, maar hier niet per se hun plan op aanpassen (raadplegen). Een kleiner deel (13) zal hier hun plan wél op aanpassen (adviseren).

Motivatie voor participatie

Vergunningaanvragers blijken eerder bereid om participatie te organiseren als ze voornamelijk een extrinsiek en vrijwillig motief hebben. Dit betekent dat de aanvrager er zelf belang bij moet hebben of dat het onderdeel moet zijn van hun moreel kompas. Deze aanvragers geven de volgende redenen voor het organiseren van participatie:

  • 40 Van hen vinden het belangrijk dat belanghebbenden hun mening kunnen geven over het plan;
  • 53 Van hen vinden het belangrijk dat het plan niet nadelig uitpakt voor belanghebbenden;
  • 30 Van hen hopen dat de gemeente daardoor sneller een besluit kan nemen over het plan;
  • 26 Van hen hopen dat er daardoor minder bezwaren vanuit de omgeving komen tegen het plan.

Onderzoeksresultaten

Uit de analyse blijkt dat vergunningaanvragers eerder bereid zijn als ze hulpbronnen hebben die kunnen en willen helpen. Overheidsorganen en maatschappelijke organisaties kunnen hulpbronnen zijn, maar ook sociale contacten. Opvallend is dat meer dan de helft (50+) denkt dat de gemeente kan helpen, maar dat slechts een derde (33) meent dat ze wil helpen. Verder maakt het verschil of een vergunningaanvrager denkt veel kennis te hebben van de begrippen participatie en belanghebbenden. Hoe meer kennis, hoe minder bereid de vergunningaanvrager is. Een mogelijke verklaring kan zijn dat diegene met veel kennis weet wat de eventuele nadelen zijn van participatie. Tot slot is gebleken dat mannen en ouderen eerder bereid zijn om participatie te organiseren dan vrouwen en jongeren.

De meerwaarde van participatie

De vraag is wat gemeenten nu gaan doen met het participatieverslag van een binnenplanse vergunningaanvrager. Deze vraag heb ik onderzocht door dertien medewerkers van verschillende gemeenten te interviewen. In deel één van dit tweeluik bespreek ik de resultaten van dat onderzoek.

Hulp nodig bij een participatievraagstuk?

Hieronder lees je meer over enkele eerdere projecten:

Participatie organiseren?

Nandi
Terug naar nieuws overzicht